Foto: Pixabay

Foto: Pixabay

Studie trekt stelling in twijfel dat samenleven met katten astma bij kinderen verergert

Uit de resultaten bleek geen significant verband tussen blootstelling aan huiskatten en het risico op het ontwikkelen van astma bij kinderen.

Astma blijft een van de meest voorkomende niet-overdraagbare aandoeningen bij kinderen, en omgevingsfactoren worden erkend als belangrijke elementen in de behandeling ervan. Van deze factoren krijgt de aanwezigheid van huisdieren bijzondere aandacht, omdat huisdieren met een vacht in veel huishoudens voorkomen. Hoewel vaak wordt aangenomen dat harige dieren vergelijkbare effecten op astma hebben, produceert elke diersoort specifieke allergenen en heeft deze een verschillende interactie met de mens. Deze verschillen zouden de uiteenlopende effecten op de morbiditeit van astma kunnen verklaren.

Een team van epidemiologen heeft een onderzoek uitgevoerd onder meer dan 30.000 Zweedse kinderen in de leeftijd van 4 tot 17 jaar bij wie eerder astma en een allergie waren vastgesteld. De onderzoekers stelden vast dat de ernst van de astma en de longfunctie, gemeten tussen 2023 en 2024, niet verschilden tussen kinderen die in een huishouden met ten minste één kat woonden en kinderen die zonder kat woonden.

Er werd geen verband aangetoond tussen het geslacht of de leeftijd van het kind, het aantal katten in huis en het verloop van de astma. De auteurs concluderen dat blootstelling aan katten het verloop van astma bij kinderen niet lijkt te verergeren, althans niet op korte termijn.

Astma is de meest voorkomende chronische aandoening bij kinderen en een van de belangrijkste oorzaken van ziekenhuisopnames bij kinderen. Volgens het Global Asthma Network wordt de wereldwijde prevalentie geschat op 9,1 % bij kinderen en 11 % bij adolescenten, met grote verschillen tussen landen, regio's en omgevingen. De hoogste prevalentiecijfers, van meer dan 20 %, worden waargenomen op de Britse eilanden en in bepaalde regio’s van Oceanië en het Midden-Oosten.

Tot de erkende risicofactoren behoren blootstelling aan luchtvervuiling en tabaksrook, virale infecties tijdens de kindertijd, obesitas en bepaalde reeds bestaande allergische aandoeningen, zoals eczeem of allergische rhinitis.

Veel patiënten melden op basis van eigen ervaring dat blootstelling aan huidschilfers van dieren astma-aanvallen lijkt uit te lokken. De beschikbare klinische en epidemiologische gegevens blijven echter tegenstrijdig en zijn voornamelijk gebaseerd op kleinschalige studies onder specifieke populaties, die niet erg representatief zijn voor de algemene bevolking.

In deze nieuwe studie tonen de onderzoekers aan dat het samenleven met een kat de situatie van kinderen met astma en allergieën mogelijks niet verergert.

“In dit nationale cohort van Zweedse kinderen met astma en allergieën hebben we aangetoond dat kinderen die met een kat leven, wat betreft de ernst van het astma, het risico op een opflakkering, de astmacontrole en de longfunctie vergelijkbare resultaten vertonen als kinderen die niet met een kat leven”, benadrukken de auteurs.

Ze voegen hieraan toe: “We hebben evenmin verschillen in astmaparameters waargenomen op basis van het aantal katten in huis, noch op basis van het geslacht of de leeftijd van het dier.”

Katten verergeren het verloop van astma bij kinderen niet

De resultaten toonden geen significant verband aan tussen blootstelling aan huiskatten en het verloop van astma bij kinderen.

Zo had 9,6 % van de kinderen die met een kat leefden matig tot ernstig astma - gedefinieerd op basis van de voorgeschreven medicatie -, tegenover 10,1 % bij kinderen die niet aan katten werden blootgesteld. Ook werden astma-exacerbaties (aanvallen of opflakkeringen) waargenomen bij 3,3 % van de kinderen die aan katten werden blootgesteld, tegenover 3,5 % van de kinderen die daar niet aan werden blootgesteld.

Van een subgroep van 1.428 kinderen waarvoor gegevens over astmacontrole en longfunctietests beschikbaar waren, woonden er 97 (6,8 %) samen met een kat. Er werd geen significant verschil waargenomen tussen de twee groepen voor de twee belangrijkste parameters van de longfunctie.

Volgens de auteurs is een mogelijke verklaring dat blootstelling aan kattenallergenen uiterst vaak voorkomt, zelfs buiten de eigen woning. “Kinderen die zelf geen kat hebben, kunnen niettemin worden blootgesteld aan kattenallergenen in gemeenschappelijke omgevingen, zoals scholen of het openbaar vervoer. Dit zou kunnen verklaren waarom we geen verschil tussen de groepen hebben waargenomen.”

De onderzoekers wijzen echter op verschillende beperkingen van hun studie: “Hoewel deze grootschalige studie waardevolle informatie oplevert, beschikten we niet over gegevens over de sensibilisatie van kinderen voor de verschillende allergenen. Bovendien is het Nationaal Kattenregister relatief recent, waardoor sommige kinderen die met een kat leven mogelijks ten onrechte bij de niet-blootgestelde kinderen zijn ingedeeld.”