Waarschuwing voor belangrijke lacunes in onderzoek naar zoönosen en oproep tot alomvattende One Health-aanpak

Een nieuw overzichtsrapport benadrukt de noodzaak van een “One Health”-aanpak in het onderzoek naar de risico's van zoönotische ziekten op wereldschaal.

 

Een nieuw overzichtsrapport, gebaseerd op een studie van Juno Evidence Alliance in samenwerking met CABI's One Health Hub, benadrukt dat een One Health-benadering nodig is voor onderzoek naar de risico's van zoönosen wereldwijd.

De studie, een synthese van bewijsmateriaal uitgevoerd door Juno Evidence Alliance in samenwerking met de Universiteit van Newcastle en gefinancierd door UK International Development, vond geen gepubliceerd onderzoek naar zoönotische risico's gelinkt met agrovoedingssystemen in 46 % van de lage- en middeninkomenslanden (LMIC's), wat zou kunnen wijzen op een ongelijke verdeling van de middelen die aan onderzoek worden besteed.

Het rapport voegt hieraan toe dat verschillende belangrijke gebieden die verband houden met het ontstaan van zoönotische ziekten nog niet zijn onderzocht in gepubliceerd onderzoek. Het gaat onder meer om gegevens uit bepaalde contexten van voedselsystemen vanuit het perspectief van One Health, wilde dieren als gastheer en de manier waarop blootstelling aan wilde dieren het ontstaan van ziekten bij mensen en huisdieren kan beïnvloeden.

Zoönosen vormen een grote bedreiging voor de gezondheid en het welzijn van de mens: ongeveer 60 % van de bekende infectieziekten bij de mens en 75 % van de nieuwe infecties zijn afkomstig van dieren.

Factoren die van invloed zijn op het ontstaan van zoönosen

Dr. Marie McIntyre, onderzoeker op het gebied van translationele voedselveiligheid aan de Universiteit van Newcastle en belangrijkste deskundige van de studie, stelt dat “zoönosen wereldwijd jaarlijks verantwoordelijk zijn voor 2,5 miljard gevallen van ziekte bij de mens en 2,7 miljoen sterfgevallen. Agrovoedingssystemen spelen een fundamentele rol bij het ontstaan van zoönosen”.

Factoren zoals veranderingen in landgebruik, intensivering van de veeteelt en handel in wilde dieren dragen bij aan het risico op ziekten. Tegelijkertijd kunnen de gevolgen van klimaatverandering nieuwe uitdagingen met zich meebrengen.

“Ondanks het toenemende besef van deze verbanden, blijkt uit ons onderzoek dat beleidsmakers onvoldoende overtuigend bewijs hebben voor het verband tussen bepaalde specifieke praktijken en het ontstaan van zoönosen.”

Het onderzoek presenteert de huidige stand van kennis over de factoren die van invloed zijn op het ontstaan van zoönotische ziekten in de agrovoedingssystemen van lage- en middeninkomenslanden.

De onderzoekers hebben een systematische mapping en zoekopdracht uitgevoerd in vijf bibliografische databases en op zeventien websites van organisaties. In totaal werden 7.839 van de 49.038 unieke publicaties geïdentificeerd als potentieel relevant door middel van handmatige screening en machine learning-methoden. Een willekeurige steekproef van 14 % (1034 publicaties) werd in zijn geheel onderzocht, en 424 daarvan werden in de mapping opgenomen.

De vier meest bestudeerde categorieën van factoren waren:

  • blootstelling aan potentiële gastheren of vectorsoorten, met name vee (53 % van de publicaties),
  • sociale en economische factoren (47 %),
  • fysieke en omgevingsfactoren, waaronder landgebruik, klimaat en weersomstandigheden (46 %),
  • praktijken in verband met huisdieren (38 %).

Zoönotische ziekten gelinkt met agrovoedingssystemen vormen een groot risico

Dr. Hazel Cooley, hoofdauteur van de studie, stelt dat “zoönotische ziekten die verband houden met agrovoedingssystemen een aanzienlijk risico vormen voor de wereldwijde gezondheid, maar dat de factoren die de toename ervan verklaren niet volledig worden begrepen”.

Ze voegt eraan toe dat “hoewel sommige gebieden goed zijn onderzocht, er in andere gebieden kennislacunes bestaan, met name in bepaalde contexten van voedselsystemen, in bepaalde geografische regio's en vanuit het perspectief van One Health”.

“Door onderzoek en beleid te bevorderen dat gebaseerd is op een systemische benadering om deze lacunes op te vullen, kunnen beleidsmakers beter prioriteiten stellen voor middelen, de paraatheid verbeteren en het risico op verspreiding van ziekten van dieren naar mensen verminderen”, concludeert ze.